Ergotherapie

Ergotherapie

De term ergotherapie is afkomstig van het Griekse ergon, dat handeling, werk of daad betekent. Ergotherapie richt zich op het handelen. Het doel is om zo optimaal mogelijk te kunnen functioneren in de eigen omgeving. Kenmerkend voor ergotherapie is de kijk op zowel de persoon, de omgeving, als de activiteit. Kennisoverdracht en het betrekken van alle direct betrokkenen zijn belangrijk in de behandelingen.

Cognitieve problemen:
Het kan zijn dat na een CVA of tijdens het ouderdomsproces er problemen zijn met de cognitie. Cognitieve problemen zijn problemen met de mentale functies van het brein, zoals vertraagde informatieverwerking, geheugen, concentratie, inschatten van veiligheid, moeite met prikkelverwerking of verandering van persoonlijkheid. Ook kunt u na een hersentrauma moeite krijgen met drukke ruimtes, fel licht of is er een energietekort. Ergotherapie helpt u de balans te hervinden en begeleidt bij het weer oppakken van activiteiten.

Lichamelijke beperkingen:
Als handelingen niet meer lukken door lichamelijke beperkingen hangt het van de oorzaak en van de fase van de aandoening af wat de mogelijkheden zijn.
•  Neurologische aandoeningen: in de acute en revalidatiefase wordt er getraind en geoefend omdat herstel mogelijk is. Aan de hand van de zelfoefengids, maar vooral door praktisch en functioneel te trainen, verbeteren de lichamelijke functies. Ergotherapie richt zich vaak vooral op de arm/handfunctie.
•  Als lichamelijke beperkingen al langer bestaan en direct herstel niet tot de mogelijkheden behoort is aanpassing aan de omgeving, aanpassing aan de activiteit of aanpassing aan de uitvoering de oplossing om belangrijke activiteiten te blijven uitvoeren.

Overige beperkingen:
Problemen in het uitvoeren van dagelijkse handelingen kunnen door heel veel verschillende oorzaken komen, fysiek, cognitief, gedragsmatig, soms ook zonder verklaring. Voorbeelden van wat ergotherapie verder nog meer kan doen:
•  Trainen van betekenisvolle activiteiten, het liefst in uw eigen omgeving: vervoer, werk, hobby’s, taken thuis, wassen en aankleden.
•  Beter leren omgaan met vermoeidheid. Anders verdelen van uw activiteiten over de dag of week.
•  Thuis observeren om in te schatten hoe veilig het is en welke hulp/ toezicht nodig is.
•  Advies aanpassingen, voorzieningen, hulpmiddelen.